Niki Lauda zei later dat hij in 1976 tegen racen op de Nürburgring had gestemd, maar na een 3-tegen-2-beslissing toch aan de start verscheen en op 1 augustus in Bergwerk bijna om het leven kwam bij de crash die hem voor de rest van zijn leven zou tekenen.
Juist daarin zat de scherpe tegenstelling van Lauda’s relatie met de Nordschleife. Hij noemde het circuit later “voor ons toen de grootste uitdaging, het gaafste circuit dat je kon rijden” en sprak over het rijden op de limiet daar als de bekroning. In 1975 was hij bovendien de eerste Formule 1-coureur die de klassieke, 22,8 kilometer lange Nordschleife in minder dan zeven minuten aflegde, met een ronde van 6.58,60 in zijn Ferrari 312T.
Toch vond Lauda een jaar later dat de baan de ontwikkeling van de Formule 1 niet meer had bijgehouden. Er was weliswaar 17 miljoen mark geïnvesteerd in veiligheidsaanpassingen en er lag een driejarig akkoord met de coureurs, maar volgens hem waren de auto’s in 1976 alweer te snel geworden voor wat er was aangepast. Na Long Beach bespraken vijf coureurs of de Grand Prix op de Nordschleife nog wel verantwoord was. “Drie waren voor rijden, twee tegen”, zei Lauda later, waarbij hij aangaf dat Emerson Fittipaldi en hijzelf tot de tegenstemmers behoorden. Omdat de meerderheid anders besliste, was de zaak voor hem afgedaan.
Ook op de regenachtige racedag zelf lukte het niet om alsnog een boycot af te dwingen. Lauda startte daarom gewoon. Bij de start koos vrijwel het hele veld voor regenbanden, terwijl alleen Jochen Mass op slicks vertrok op een baan die al aan het opdrogen was. Lauda verloor terrein, dook na de eerste ronde de pits in voor een bandenwissel en herinnerde zich later alleen nog het uitrijden van de pitstraat. De volgende ongeveer tien kilometer tot de crash waren volledig uit zijn geheugen verdwenen.
Het ongeluk gebeurde kort voor half drie in Bergwerk, een snelle knik naar links die Lauda later omschreef als “eigenlijk niets gevaarlijks” en een normale volgasbocht. Volgens zijn eigen latere uitleg was het geen rijdersfout, maar materiaalbreuk. Hoofdmonteur Ermanno Cuoghi vertelde hem dat het ophangpunt van de rechter achterste draagarm was afgebroken. Dat nieuwe magnesium onderdeel was van de motor losgerukt, waardoor het rechterachterwiel inklapte. De Ferrari 312T2 brak uit, sloeg in en vloog in brand.
Lauda overleefde, maar liep zware brandwonden aan hoofd en gezicht op nadat zijn helm was afgerukt. Zijn eerste herinnering na de crash keerde pas terug in de helikoptervlucht, met links van hem een arts in het wit die een infuus vasthield. Wat hem volgens Lauda het langst achtervolgde, was niet alleen de impact zelf, maar vooral wat erna kwam. “Het hoort mijn hele leven bij mij”, zei hij later. Niet het ongeluk op zich was het echte probleem, maar “de angst daarna, het vuur, de strijd om te overleven”.
Dat hij al 42 dagen later terugkeerde in een Formule 1-auto in Monza, paste bij dezelfde compromisloze houding waarmee hij eerder op de Nordschleife had gereden. Lauda zei dat zijn grenzeloze bereidheid om risico te nemen na de crash slechts een paar races licht was beperkt. Daarna reed hij weer zoals voorheen.
De blijvende betekenis van de Nürburgring-crash lag dus niet alleen in het moment zelf, maar in wat het blootlegde over Lauda: de coureur die de Nordschleife als ultieme proef zag, die tegelijk eerder dan velen inzag dat de baan te gevaarlijk was geworden, en die ondanks zware verwondingen terugkeerde om in 1977 alsnog zijn tweede wereldtitel te winnen.
© Eterna