© Jonathan Borba

Cadillac leunde op GM om F1-start in 2026 te halen

Cadillac zegt dat het zonder het Charlotte Technical Center van General Motors "oprecht niet hier zou zijn" voor zijn Formule 1-debuut in 2026, omdat de nieuwe equipe daar races kon simuleren, systemen kon opbouwen en operaties kon oefenen terwijl de eigen infrastructuur nog in aanbouw was.

Dat onderstreept hoe gehaast en ingewikkeld de entree van Cadillac was. Het team moest in korte tijd een volledige F1-operatie over meerdere continenten opzetten, honderden mensen aannemen en klaar zijn voor de seizoensstart in Australië begin maart 2026, terwijl de plek op de grid eerder in het proces nog niet eens volledig zeker was. Door die tijdsdruk kon de basis in Silverstone niet op tijd beschikken over alle benodigde hardware en infrastructuur.

Daar werd GM beslissend. Het GM Charlotte Technical Center in Concord, North Carolina, opende in 2022 op de campus van Hendrick Motorsports en beslaat 130.000 vierkante voet verdeeld over twee verdiepingen. In dat complex staan driver-in-the-loop-simulators en tools voor aero- en ophangingsanalyse die Cadillac direct kon gebruiken, in plaats van alles vanaf nul op te bouwen.

Senior engineering consultant Pat Symonds zei tegen Motorsport dat "we oprecht niet hier zouden zijn geweest als we die GM-faciliteit in Charlotte vorig jaar niet hadden gehad". Hij zei dat Cadillac de simulator gebruikte voor repetities "alsof het een raceauto was" en noemde dat van onschatbare waarde.

Die voorbereiding ging verder dan losse testsessies. In het Race Ready-programma simuleerde Cadillac meerdere Grands Prix van 2025 in realtime als een "virtueel elfde team op de grid". Daarbij werden strategiecalls, pitoperaties, dataverwerking en de afstemming tussen engineers geoefend, terwijl een groep van meer dan 400 medewerkers nog bezig was om als team op elkaar ingespeeld te raken. Voor het simulatorwerk zette Cadillac onder anderen Simon Pagenaud, Pietro Fittipaldi en Charlie Eastwood in.

James Knapton, hoofd performance analysis, zei dat GM de ploeg meteen toegang gaf tot "simulatietools, modellen, solvers, en een simulator waar we vrij snel gebruik van konden maken", wat volgens hem direct voor een voorsprong zorgde. Zonder die steun zou het volgens Knapton twee of drie jaar hebben geduurd om zulke projecten uit te laten groeien tot bruikbare tools.

GM's rol beperkte zich niet tot gebouwen en simulatoruren. Cadillac putte ook uit bestaande kennis binnen de Amerikaanse fabrikant, onder meer op het gebied van bandenmodellen, thermische analyse, aerothermisch werk en artificial intelligence en machine learning. Symonds noemde Dr. Heather Bobbett, verantwoordelijk voor bandenscience bij Cadillac en werkzaam bij GM, zelfs "waarschijnlijk de beste bandenscientist met wie ik ooit heb gewerkt".

Volgens Cadillac werkt die technische uitwisseling twee kanten op. GM ziet in F1 juist waarde in de enorme hoeveelheid voertuigdata, de correlatie tussen meetwerk en prestaties en de snelheid waarmee tools kunnen worden doorontwikkeld als meer engineers met grotere datastromen werken. Voor Cadillac zelf is het fundament intussen nog niet af: in Fishers, Indiana, wordt aan een nieuw hoofdkwartier gebouwd, met een nieuwe simulator die begin 2027 operationeel moet zijn, terwijl een eigen power unit op 2029 wordt gemikt. Daarmee is de snelle entree vooral het begin van een langer ontwikkeltraject naar echte competitiviteit.