TT Circuit Assen zet definitief een streep door een Formule 1-race en laat de miljoeneninvestering voor een FIA Grade 1-licentie schieten, nadat Formula One Management duidelijk maakte dat de kans op een plek op de kalender tot 2030 nul is en daarna slechts bijzonder klein.
Daarmee verdwijnt ook de laatste serieuze Nederlandse uitwijkoptie nu Zandvoort al heeft aangekondigd na 2026 te stoppen met de Dutch Grand Prix. Als de koers van de Formule 1 niet verandert, lijkt Nederland daardoor voor langere tijd van de kalender te verdwijnen.
Volgens TT-directeur Mark van Aalderen kwam dat besluit er na gesprekken met de Formule 1-top. In De Telegraaf zei Van Aalderen: "Ons is duidelijk gemaakt dat de kans op een Formule 1-wedstrijd in Assen nul is tot 2030 en daarna bijzonder klein." Voor Assen was dat doorslaggevend, omdat elk circuit dat een Grand Prix organiseert over de hoogste FIA-veiligheidsclassificatie, Grade 1, moet beschikken.
Assen had onderzocht of het Zandvoort zou kunnen opvolgen om de Formule 1 in Nederland te houden, maar die verkenning strandde op de combinatie van een overvolle kalender en de kosten van de vereiste aanpassingen aan circuit en infrastructuur. Van Aalderen en voorzitter Arjan Bos kregen te horen dat de kalender in elk geval tot en met 2030 vol zit en dat de kans voor een extra Europees circuit zoals Assen daarna nauwelijks groter wordt.
Daarmee viel ook de zakelijke onderbouwing weg. De directie en raad van bestuur zagen geen reden om miljoenen euro's uit te geven aan een Grade 1-homologatie zonder realistisch vooruitzicht op een Grand Prix. Bos vatte die afweging samen met de conclusie dat het niet verstandig is om die investering te doen als de kans op een race minimaal is.
Het geld dat anders naar een F1-dossier zou zijn gegaan, wil Assen nu inzetten voor MotoGP. Van Aalderen en Bos stellen dat het circuit die miljoenen voor Formule 1 nooit zou kunnen terugverdienen en dat er de komende jaren ook forse investeringen nodig zijn om het TT Circuit aan de eisen van MotoGP te laten voldoen.
© Jonathan Borba