De zware crash van Oliver Bearman in Suzuka, een 50G-impact na een spin met meer dan 300 km/u, heeft de zwakke plek in de 2026-energieregels blootgelegd. De manier waarop auto’s energie winnen en afgeven kan snelheidsverschillen van 30 tot 50 km/u veroorzaken. FIA, Formule 1-organisatie FOM en de teams plannen in april gezamenlijke sessies om het energiebeheer te wijzigen en zo het onmiddellijke veiligheidsrisico te verkleinen. Ferrari-coureurs Charles Leclerc en Carlos Sainz, en ook Andrea Kimi Antonelli, hadden de gevaren eerder al benoemd. Het incident in Suzuka onderstreepte hun punt.
Wat er gebeurde in Japan laat zien waar het mis kan gaan. Bearman raakte vanaf het rechte stuk het gras en verloor de auto. Hij werd verrast door de benadering van Franco Colapinto, die op een andere energiestand reed. De snelheidssprong tussen vol boost en een modus waarin de auto energie terugwint, bleek groot. Dat verschil, geschat tussen 30 en 50 km/u, gaf Bearman minder tijd om te reageren. De daaropvolgende spin en harde klap vormden een duidelijke waarschuwing voor iedereen in de paddock.
De zorgen waren niet nieuw. Tijdens tests en in de openingsraces wezen coureurs en de GPDA op het risico van boostgedreven snelheidsdeltas, vooral wanneer auto’s in verschillende energieprofielen naast elkaar komen. Zij stelden dat kwalificatie minder draait om ruwe snelheid en meer om het timen van energieafgifte en -opslag. Leclerc, Sainz en Antonelli noemden die verschuiving herhaaldelijk als bron van fouten en onvoorspelbare situaties in verkeer. Hun feedback legde een patroon vast dat nu met harde data wordt onderbouwd.
De FIA bevestigt een gestructureerde review. Er staan in april meerdere bijeenkomsten met teams, fabrikanten en FOM op de kalender, onder meer een sessie in Londen op 9 april. Doel is het verzamelen van data, het draaien van simulaties en het bepalen van verfijningen die de snelheidsverschillen op rechte stukken en in remzones verminderen. In de korte termijn ligt de nadruk op operationele aanpassingen van het energiebeheer. Het gaat om parameters die zonder ingreep aan de hardware kunnen worden aangepast.
Aan de basisregels morrelen is nu niet eenvoudig. De verdeling 50/50 tussen elektrische en thermische aandrijving is diep in de krachtbronfilosofie verankerd. Een wijziging zou herontwerp van componenten vragen en schuift daarom naar een langere horizon, waarschijnlijk richting 2027. Teams en fabrikanten bouwen hun systemen rond die verhouding op, van koeling en MGU-instellingen tot verbrandingsstrategie. Grote stappen vereisen dus tijd, budget en uniforme besluiten.
Daarom kijkt men nu vooral naar maatregelen die snel effect kunnen hebben. Denk aan het verlagen van de maximaal inzetbare energie per ronde of het beperken van laad- en boostparameters in bepaalde snelheidsbereiken. Zulke grenzen kunnen de pieken afvlakken die auto’s op verschillende momenten wel of niet hebben. Het doel is voorspelbaardere closing speeds, zodat coureurs beter kunnen inschatten wat de auto voor hen doet en welke snelheid zij mogen verwachten bij inhalen of uitremmen.
Het politieke en praktische werk is intussen fors. Teams, fabrikanten en de F1-organisatie moeten informatie delen en tot consensus komen over datasets, simulatiemethoden en acceptabele trade-offs. Er is drang naar een snelle oplossing voor de race in Miami, om herhaling van de situatie in Suzuka te voorkomen. Die tijdlijn botst met de realiteit dat diepere aanpassingen unanimiteit of langere ontwikkeltrajecten vragen. De spanningen zitten in het vinden van een set regels die zowel veiligheid als sportieve eerlijkheid dient, zonder het fundament van de 2026-regels overhoop te halen.
De komende weken draaien dus om data, afregelingen en besluitvorming. De FIA wil op basis van analyses samen met teams en FOM bepalen welke wijzigingen aan het energiebeheer op korte termijn uitvoerbaar zijn. Het doel is kleinere snelheidsdeltas tussen auto’s in verschillende energiestanden. Zo moet het risico op onverwachte ontmoetingen, zoals die tussen Bearman en Colapinto in Suzuka, omlaag, terwijl het bredere debat over de 50/50-verhouding op een later moment kan worden gevoerd.
© Jonathan Borba